|
Van construeren naar Groeien
Over het werk van Phil van de Klundert
Wanneer je de lange, bijna 40-jarige, artistieke carrière van beeldhouwer en
installatiebouwer Phil van de Klundert overziet, lijkt het om een spannend verhaal
te gaan dat naar een onmiskenbare ontknoping toewerkt.
Tijdens de vroege jaren '70 breekt hij door met installaties die bestaan uit vele in rubber gelegde knopen. Eén daarvan heet heel treffend Rubber environment en bestaat uit maar liefst 18.000 rubberen knoopjes.
Enige jaren later gaat Van de Klundert ook in staal werken en veranderen de knopen in roestvrijstalen koppelstukken, bestaande uit bouten en moeren.
Dit laatste gegeven, de bout en de moer die tezamen een koppelstuk vormen,
blijkt cruciaal te zijn in de carrière van Van de Klundert. Blijkbaar ging het hem,
achteraf gesproken, ook in zijn rubberen knopen om de verbinding die een knoop kan leggen en niet zozeer om de sluiting of de verdichting die we ook in verband
kunnen brengen met knopen.
Het koppelstuk maakte dit veel duidelijker, hoewel het ook nog de nodige transformaties zou doormaken.
Wat altijd gebleven is in het werk van Van de Klundert, en wat we ook terugzien in zowel knopen als koppelstukken, is de behoefte om te werken met visuele accenten. Door gebruik te maken van deze accenten ontstaat er een ritme in het werk en kun je richtingen en krachten accentueren die anders impliciet blijven. Door bijvoorbeeld een rechtopstaand stalen beeld overdreven goed zichtbaar aan de grond vast te maken met bouten en moeren accentueert Van de Klundert zijn worteling in de grond, in plaats van dat het uit de grond oprijst.
In een ander beeld, een soort tunnel van gebogen plaatstaal, steken de bouten en moeren uit naar buiten, wardoor het beeld, behalve zijn binneste te omhullen, ook met een enorme, door het staal in toom gehouden, kracht naar buiten toe expandeert.
Behalve verbindend zijn de koppelstukken dus ook richtingaanwijzers voor de visuele krachten die we in een werk waarnemen. Daarnaast voorzien de koppelstukken, door hun ritmiek, de werken van een heldere, op eenvoudige getalreeksen, gebaseerde ordening. De getalreeksen, zoals 1:2 en 1:3, komen zeer veel voor in de kunstgeschiedenis en lijken bij uitstek mentaal van karakter te zijn. Ook het werken met ritme, richting en verbindingen maakte dat het werk dat Van de Klundert maakte in de jaren '70, '80 en vroege jaren '90 een sterk mentale inslag had. Vergeet daarbij niet dat Van de Klundert werd gevormd in het Den Haag van de jaren '60 toen het constructivisme en geometrische abstractie hoogtij vierden. Er was toentertijd in hoge mate een concentratie op de principes die aan het kijken en denken ten grondslag liggen en een zo zuiver mogelijke weergave daarvan.
Dit laatste komt heel duidelijk tot uitdrukking in de zeefdrukken die Van de Klundert eind jaren '80, begin jaren '90, maakte. Uitgaande van de contouren van één, twee of drie moeren speelde Van de Klundert in felle primaire kleuren met overlap, zich verzelfstandigende randen, nieuwe visuele verbanden en onverwachte combinaties van het onveranderlijke gegeven van de zeskantige moer. Hoe verrassend de uitkomsten soms ook konden zijn, het ging om wetmatige, logisch mogelijke combinaties, geheel in de constructivistische traditie.
Gezien deze achtergrond en de consistentie van zijn werk, onderging de kunstenaar in 1996 een schokkende ervaring tijdens een vakantie in Ierland. Je zou bijna van een 'openbaring' kunnen spreken voor iemand die zich zo lang al met principes van vorm en verbinding had beziggehouden. Aan de ruige noordkust van Ierland bezocht hij een natuurwonder. Waar de branding beukt op de rotsachtige kust ontstonden in de loop van miljoenen jaren vele honderden regelmatige zeskantige basaltzuilen die strak in het gelid staan. Van bovenaf gezien is het net een honingraatstructuur (ook zo'n natuurwonder!). Vooral hun regelmatige, geometrische vorm en de opvallende zeskant zijn verbijsterend om te zien, aangezien ze niet (zoals een honingraat) gemaakt, maar gegroeid zijn in de loop van vele millennia.
Plotseling drong het tot Van de Klundert door dat dezelfde principes die in kijken en denken, instrumenten bij uitstek van het bewustzijn, aanwezig zijn ook werkzaam zijn in de natuur. "Zoals de natuur denkt, zo denken wij ook", moet hij totaal verbouwereerd hebben gedacht op dat moment. Wij zijn zoals wij zijn en wij denken zoals wij denken, omdat de natuur ons voortbracht. Er is in wezen geen scheiding tussen de 'blinde' natuur en de 'ziende en wetende' menselijke geest, geen scheiding tussen het natuurlijke en het kunstmatige, maar juist een diepe verbondenheid. Zo diep dat we haar alleen tijdens kostbare momenten kunnen voelen.
Van de Klundert had zijn geconstrueerde, aan zijn denken ontsproten zeskantige vorm 'ontdekt' in de natuur en wel op monumentale schaal. De zeskantige verbinding is een natuurlijk, van binnenuit, werkend principe dat gelijkwaardige elementen verbindt, zonder dat deze elementen hun onafhankelijkheid verliezen. Het maakt gelijkwaardigheid en verbondenheid direct zichtbaar, zonder tussenkomst van het denken.
Vanaf dat moment ging Van de Klundert met ruwe, natuurlijke materialen werken, vooral de 'oermaterialen' leisteen en hout. In een creatieve explosie maakte hij, vanaf 1997, werk na werk waarin deze ruwe oermaterialen eenvoudige principes van vormgeving zichtbaar maken, met daarbij een hoofdrol voor de zeskant. Deze cruciale vorm kreeg al gauw gezelschap van een nieuwe vorm die noodzakelijk bleek in het nieuwe, organischer werk: de wig. De wig drijft wat verbonden is uiteen, zet het onder spanning. Door de wig wordt de tegendruk vanuit het verbondene zichtbaar. Bijvoorbeeld door een wig te drijven tussen twee zeskanten. De verbindende kracht krijgt hierdoor een richting. De kunstenaar zet zijn vormen zo op scherp en laat ze naar een bepaald punt toe drukken, alsof er een bedoeling achter zit. Precies zoals het in de natuur gaat. Deze wordt niet geconstrueerd, maar groeit. En groeien gaat altijd in een bepaalde richting, blijkbaar met een bedoeling, voortkomend uit het dynamische evenwicht tussen krachten die van binnenuit en die van buitenaf werken.
Groei is een in een bepaalde richting zichtbaar gemaakte kracht. Dit geeft het groeiende een bepaalde eenheid en zelfstandigheid, naast een zekere doelmatigheid. Je hebt, met andere woorden, al snel te maken met iets wat groeit, dat wil zeggen, met een bepaalde identiteit. Waar het werken met principes van constructie al gauw leidt tot het loslaten van verwijzingen naar de zichtbare werkelijkheid, daar brengt het werken met de principes van groei je al snel bij de kunst van het duiden en benoemen. Het werk van Van de Klundert nam een poëtische wending, waardoor zijn sculpturen de landschappen die hij bezocht, en die hem inspireerden, gingen verbeelden.
Deze poëtisch-figuratieve wending in zijn werk had ook gevolgen voor de vorm van het werk. Het zijn niet langer strikt wetmatige variaties die de vorm dicteren, maar speelse associaties waartoe de betekenis van het werk uitnodigt. De werken die de spannende combinatie van sculptuur en landschap moesten uitdrukken werden sterk horizontaal van vorm, waarin leisteen de rol van water vervult. Soms is er alleen een horizon van hout. Later schiep Van de Klundert de ruwe poëtische gestalten van de 'vlinderboom', het 'papaverlandschap', de 'rups' en de 'vlinder' met de cirkelzaag uit ruwe boomstammen. In deze nieuwe werken is de titel (de naam die de eigen identiteit aanduidt) een onlosmakelijk onderdeel van het werk gaan vormen.
Je bespeurt in zijn werk nog steeds dat sterke gevoel voor orde, het is echter niet langer een begrenzende orde, maar, daarentegen, een uitgangspunt voor groei en betekenis. Van de Klundert lijkt tegenwoordig de werkwijze van de natuur zichtbaar te maken. Eenvoudige principes van ordening en constructie groeien uit tot unieke landschappen en unieke wezens die je kunt ontmoeten en die je kunnen raken. Waar eens alleen maar anonieme orde was, sta je nu oog in oog met de kwetsbaarheid van het leven. In deze ontmoeting nu worden identiteit, poëzie en emotie geboren.
Vincent Botella
|
|